|
HET HEELAL ZENDT UIT OP ALLE GOLFLENGTES
Zichtbaar licht vormt maar een klein deel van alle straling die uit het heelal op ons af komt. Welke straling een hemel-lichaam uitzendt, wordt grotendeels bepaald door de energie van de processen die zich er afspelen.
Ultra-violet licht, gamma- en röntgen-straling komen niet door de atmosfeer heen, en moeten dus met satellieten worden waargenomen. Infra-rood wordt geabsorbeerd door waterdamp in de lagere luchtlagen, en is daarom alleen waar te nemen vanaf hoge bergtoppen of ook met satellieten.
Grote optische telescopen staan ook op afgelegen bergtoppen, om zo min mogelijk last te hebben van bewolking, kunstlicht uit de omgeving en omdat het zicht er beter is.
Radiostraling, met een veel langere golflengte dan zichtbaar licht, heeft geen last van de atmosfeer, zelfs niet van bewolking. Daarom staat ook in Nederland, in Westerbork, een grote radiotelescoop.
Als vuistregel geldt: hoe heter een object , des te meer energie komt er vrij, en des te korter de golflengte van de uitgezonden straling.
Een doorsnee ster heeft aan de buitenkant een temperatuur van een paar duizend graden, niet veel hoger dan de gloeidraad van een lamp. Daarom stralen ze beiden veel zichtbaar licht uit.
Jonge sterren zijn veel heter, tot 20.000 graden, en die zenden dus veel ultra-violet licht uit.
Vlak bij zwarte gaten kan materie zo sterk op elkaar geperst worden dat de temperatuur tot miljoenen graden oploopt en intense röntgenstraling vrijkomt.
Elk golflengtegebied geeft astronomen weer een ander beeld van het heelal. Sommige sterrenstelsels, maar ook onze eigen zon, zien er bij verschillende golflengtes heel anders uit, en het optische beeld is niet per se het meest 'echt'.
(ga
terug naar de vorige pagina
of ga naar het
startpunt van de tour)
|