Planetoïden
 

Planetoïden (ook wel astroïden genoemd) zijn kleine rotsachtige objecten die rond de zon bewegen in vaak excentrische banen. Sommige van deze banen komen tot binnen de baan van de aarde en andere tot voorbij de baan van Saturnus. Het overgrote deel van de planetoïden bevindt zich in een brede gordel tussen de banen van Mars en Jupiter, van ongeveer 2,1 tot 3,3 AE (1 AE is de gemiddelde afstand van de aarde tot de zon: 149,7 miljoen kilometer).

asteroide ceresEr zijn honderdduizenden planetoïden bekend. De allergrootste hebben diameters van enkele honderden kilometers, maar het grootste deel van de gecatalogiseerde planetoïden heeft afmetingen van slechts enkele kilometers. Op 1 januari 1801 ontdekte de Italiaanse wiskundige en sterrenkundige Giuseppe Piazzi de eerste planetoïde, Ceres (1003 km diameter). Sinds augustus 2006 valt Ceres echter in de categorie 'dwergplaneten'. De grootste planetoïden zijn Pallas (583 km diameter) en Vesta (550 km diameter).

Ida met 'maantje' DactylIn augustus 1993 vloog het ruimtevaartuig Galileo vlak langs de planetoïde Ida (56 x 15 kilometer) en ontdekte dat dit object een klein maantje heeft, Dactyl gedoopt. Dactyl heeft een doorsnede van 1,5 kilometer en draait op bijna honderd kilometer afstand rond Ida. Planetoïde Ida met maantje Dactyl zijn op deze foto te zien (het maantje rechts).

Men denkt dat de rotsachtige objecten in de planetoïdengordel op dezelfde manier en op hetzelfde moment zijn ontstaan als soortgelijke lichamen elders in het zonnestelsel. Namelijk door het steeds verder samenklitten van in eerste instantie miniem kleine stofkorreltjes (afkomstig uit de interstellaire ruimte of uit gas gecondenseerd) aanwezig in de wolk materie waaruit ons zonnestelsel zich zo'n 4,55 miljard jaar geleden vormde. Echter, íets heeft voorkomen dat de meerderheid van de planetoïden zich kon samenvoegen tot één groot object.

Deze verstorende invloed is vermoedelijk de zwaartekracht van de planeet Jupiter geweest, die ook nu nog de bewegingen in de planetoïdengordel beïnvloedt. Toch blijkt de zone tussen 2,1 en 3,3 AE voldoende veilig voor deze zwaartekrachtsinvloeden, zodat de planetoïdengordel heeft kunnen overleven. Hoewel er af en toe een object door een (bijna) botsing uit de zone gegooid wordt, bijvoorbeeld in de richting van de binnenplaneten.

Sommige van deze verdwaalde lichamen kruisen het pad van de aarde, en vormen de belangrijkste bron van meteorieten die met regelmaat op aarde inslaan. De meeste van deze verdwaalde planetoïden zijn relatief klein, maar er zijn toch al ruim vierhonderd planetoïden ontdekt met een diameter groter dan een kilometer. De kans dat een verdwaalde planetoïde van deze grootte in botsing komt met de aarde is ongeveer eens in de 10 miljoen jaar. Voor een planetoïde van 10 kilometer doorsnede is deze kans eens in de 100 miljoen jaar.

Wanneer de kern van zo'n 10 kilometer object op land inslaat, ontstaat er een krater met een middellijn van meer dan 150 kilometer en wordt een enorme hoeveelheid stof in de atmosfeer gebracht. Stort de meteoriet in de oceaan dan ontstaat een tsunami (een reusachtige vloedgolf) en komt er een geweldige hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer.

65 Miljoen jaar geleden heeft zich een gebeurtenis als deze voorgedaan in de golf van Mexico, net voor de kust van het hedendaagse Merida op het schiereiland Yucatán. De nu door sedimenten bedekte krater meet 180 kilometer in doorsnede en wordt Chicxulub genoemd. Waarschijnlijk zijn het de gevolgen van deze inslag op het klimaat op aarde geweest waardoor in die periode veel planten- en diersoorten zijn uitgestorven, waaronder de dinosauriërs.


encyclopedie astronomy