Het getijde of getij is het verschijnsel dat de watermassa's op aarde dagelijks variëren in hoogte, voornamelijk als gevolg van de invloed van de zwaartekracht van de maan. Het is het tweemaal per etmaal hoog water en tweemaal per etmaal laag water. De periode tussen hoog en laag water, wanneer het waterpeil daalt, noemen we eb. Omgekeerd is de periode van stijgend water vloed.
Het tijverschil, het hoogteverschil tussen hoog en laag water, is het grootst rond de periodes waarin volle en nieuwe maan optreden en hangt verder sterk af van de stromingspatronen ter plaatse. In de open oceaan is het verschil vijftig tot honderd centimeter, aan de Nederlandse kust ongeveer anderhalve meter en in de Middellandse zee dertig centimeter. Grote tijverschillen treden op als het stijgende water in een vernauwing wordt opgestuwd. Tussen Normandië en Bretagne loopt het verschil op tot 12 meter en in de Fundybaai bij Nova Scotia tot wel 21 meter (links Fundybaai bij vloed en rechts bij eb).
Het verschijnsel wordt veroorzaakt door de zwaartekrachten die de maan en de zon op het aardse oceaanwater uitoefenen. De getijdenkracht is de verschilkracht die optreedt doordat de zwaartekrachtsaantrekking van de maan op het aardse water het sterkst is waar het water zich het dichtst bij de maan bevindt en zwakker in de delen van de oceanen waar de afstand tot de maan groter is.
De centrifugale reactiekracht die in elk punt van de oceaan optreedt door de rotatie die de aarde om het gemeenschappelijk zwaartepunt van aarde en maan uitvoert (dit punt bevindt zich in de aardmantel) neemt toe met de afstand tot de rotatieas. De som van deze centrifugale reactiekracht en de zwaartekracht van de maan is de getijdenkracht, en deze is dus in elk punt van de oceaan anders van grootte en richting.
Aan het oppervlak van de oceaan recht onder de maan is de getijdenkracht naar de maan toe gericht, aan de andere kant van de aarde staat de getijdenkracht precies van de maan af. Zodoende ontstaan er aan weerszijden van de aarde twee getijdenbulten in het water, waarvan er één ongeveer op de maan gericht is, terwijl de andere de tegenovergestelde richting op wijst.
De aarde (en het oceaanwater) draait in een etmaal éénmaal onder deze waterbulten rond, zodat gezien vanaf het aardoppervlak het lijkt alsof er tweemaal per etmaal een waterbult voorbijkomt. De waterbulten die door de zon veroorzaakt worden zijn kleiner dan degene die door de maan gemaakt worden, maar niet vewaarloosbaar.
Als zon, aarde en maan ongeveer op één lijn staan tellen de hoogteverschillen op, we spreken dan van springtij. Als maan, aarde en zon ongeveer een rechte hoek vormen doet de getijdeninvloed van de zon die van de maan gedeeltelijk teniet, hetgeen tot kleinere tijverschillen leidt. Dit heet doodtij.
Hoewel de getijdeninvloed het eenvoudigst af te lezen is aan het makkelijk vervormbare oceaanwater, vervormt ook het aardgesteente enigszins. Door energieverliezen is de getijdenvervorming van aarde en oceaan niet exact gericht langs de verbindingslijn tussen aarde en maan. De rotatie van de aarde duwt de getijdenbult iets voor de positie van de maan uit. Zo ontstaat een koppel dat de rotatie van de aarde afremt en dat zodoende de afstand tussen aarde en maan doet toenemen (behoud van impulsmoment). Elke eeuw duurt een aardrotatie 1,5 milliseconde langer. De maan verwijdert zich van de aarde met een snelheid van 3,8 centimeter per jaar, zodat in de verre toekomst een volledige zonsverduistering niet meer voor zal kunnen komen.
Doordat omgekeerd de aarde ook getijdenkrachten op de maan uitoefent, daarbij het maangesteente vervormend, is de rotatiesnelheid van de maan zodanig afgenomen dat deze nu precies overeenkomt met de omloopsperiode van de maan om de aarde. De maan is gevangen in het getijdenveld van de aarde. Als gevolg hiervan is altijd dezelfde kant van de maan naar de aarde toegericht. Met andere woorden: wij zien de maan niet draaien.
