Nieuwe sterren ontstaan uit grote gas- en stofwolken die zich tussen de sterren bevinden. Als die wolken samentrekken ontstaan uit lokale verdichtingen in het midden van de wolk zogenaamde protosterren. Zo'n protoster is altijd omgeven door een afgeplatte schijf van gas en stof. De ster wordt steeds massiever doordat gas en stof uit deze schijf op de ster valt. Dit wordt ook wel accretie genoemd.
Toen de zon haar uiteindelijke massa had gekregen, hield deze accretie op. Wat overbleef was de afgeplatte schijf, die nog ongeveer tien procent van de massa van de zon had. De stofdeeltjes in deze schijf botsten met elkaar en als de botsing niet al te hard was, plakten zij aan elkaar en groeiden zo langzaam maar zeker tot uiteindelijk kilometers grote lichamen. Als er eenmaal zulke grote lichamen zijn gevormd, kunnen deze onder invloed van de eigen zwaartekracht verder uitgroeien tot proto-planeten oftewel planetesimalen.
Als zo'n planetesimaal ver van de zon wordt gevormd, is de temperatuur van het gas zo laag, dat de proto-planeet ook het gas aan zich kan binden: er wordt dan een grote, gasvormige planeet gevormd met een rotsachtige kern. Zo zijn Jupiter, Saturnus, Uranus, en Neptunus gevormd. Planeten die dichter bij de ster worden geboren, kunnen het gas niet aan zich binden, omdat de snelheden van de gasdeeltjes groter zijn dan de ontsnappingssnelheid van het oppervlak van de jonge planeet. Wat dan resteert is alleen de rotsachtige 'kern'. De aarde is zo'n rotsachtige planeet. De aardse dampkring (net als die van Venus en Mars) is ontstaan door uitgassing van de gesteenten waaruit de aarde is opgebouwd. Deze dampkring heeft dan ook een heel andere samenstelling dan die van de reuzenplaneten (Jupiter etc.).
Er zijn uit de tijd van de vorming van ons zonnestelsel veel kilometers grote rotsblokken overgebleven, die het nooit tot een echte planeet hebben geschopt. De meeste van die rotsblokken bevinden zich in de buitenste delen van ons zonnestelsel, omdat de binnendelen van het zonnestelsel zijn 'schoongeveegd' door de planeten. Wij kennen die kilometers grote rotsblokken als kometen, wanneer zij in hun (vaak langgerekte) baan om de zon af en toe dicht bij de zon komen. Dan worden ze opgewarmd en gaan verdampen. De zonnewind blaast dan deze gas- en stofdeeltjes uit de komeet weg van de zon. Dit kunnen wij prachtig waarnemen als de spectaculaire staart die bij kometen hoort.
Een film met uitleg over de vorming van onze zon en planeten.
Hubble telescoopopname van een stofschijf rond een proto-ster.
Deze opname toont duidelijk hoe de stofschijf het licht van de ster tegenhoudt (de donkere streep die de nevel in tweeën deelt).
Hubble telescoopopname van proto-planetaire wolken rond proto-sterren in de Orionnevel.
