AGN is een afkorting voor 'Active Galactic Nuclei', ofwel de ‘actieve kernen van sterrenstelsels’. Het licht dat een normaal stelsel uitzendt, is min of meer de som van het licht dat alle sterren in dat stelsel uitzenden: blauw licht van jonge sterren en geel/rood licht van oudere sterren. De meeste straling in een normaal stelsel wordt uitgezonden in zichtbaar licht, dus licht met golflengten die onze ogen kunnen zien.
Actieve stelsels zenden naast zichtbaar licht ook veel straling uit op andere golflengten, zowel langgolvige straling (van infrarood tot radio) als kortgolvige straling (van ultraviolet tot röntgen) en zijn dus helder op alle golflengten waarbij ze worden waargenomen. Ook zijn ze erg lichtkrachtig. Al dat extra licht komt uit een relatief klein gebied in het centrum van het sterrenstelsel. Dit gebied is slechts een paar lichtjaar in doorsnede, grofweg tien keer de afmeting van ons zonnestelsel. Hoe kan zoveel energie, soms wel een biljoen keer het vermogen van de zon, opgewekt worden in zo'n klein gebied?
Waarschijnlijk zit er in de kern van een actief stelsel een heel zwaar zwart gat, tot wel honderd miljoen zonsmassa's. De enorme zwaartekracht van het zwarte gat trekt materiaal vanuit het omringende sterrenstelsel naar het gat. Dit materiaal draait in een platte schijf rond het zwarte gat en wordt uiteindelijk van deze accretieschijf in het zwarte gat getrokken. Daarbij komt zwaartekrachtenergie vrij (vergelijk het met een steen die naar beneden valt: de steen krijgt snelheid, dus energie) en het materiaal wordt heel heet. Daardoor gaat het licht uitzenden.
Er zijn drie soorten actieve stelsels: Radiostelsels, Quasi Stellaire Objecten en Seyfertstelsels.
Radiostelsels zien er in zichtbaar licht hetzelfde uit als gewone stelsels, maar zenden veel meer radiostraling uit. Quasi Stellaire Objecten (of quasars) zien er uit als sterren. Hun kern is zo helder dat het omringende stelsel volledig wordt overstraald. Alleen op beelden van uitzonderlijke kwaliteit kunnen we nog een glimp van het omringende stelsel zien.
Seyfertstelsels hebben ook een actieve kern, maar die is veel zwakker dan de kern in quasars. Bij Seyferts kunnen we het omringende stelsel goed zien.
Hoewel AGN's dus in soorten lijken voor te komen, denkt men dat ze ongeveer dezelfde opbouw hebben. Ze zien er verschillend uit, omdat ze een andere oriëntatie ten opzichte van ons hebben. Bij quasars kijken we loodrecht op de hete schijf en zien we veel zichtbaar licht. Bij een radiostelsel zien we de schijf op z'n kant, en zit er ook nog veel stof rondom de schijf (in een donutvorm), waardoor het licht van de schijf ons niet kan bereiken. Uit de kern van deze stelsels zien we dus nauwelijks extra licht, maar de radiostraling komt uit een veel groter gebied en die zien we wel. De gebieden die de radiostraling uitzenden worden wel 'gevoed' door de kern, dus de energie wordt wel in de kern geproduceerd. Van de Seyfertstelsels denkt men dat ze niet zo lichtkrachtig zijn als hun grote broers (de radiostelsels en de quasars) omdat ze een lichter zwart gat hebben, van 'slechts' een miljoen zonsmassa's.
