Na de Big Bang begon het heelal met expanderen. Eerst was er een zeer korte fase van extreem snelle uitdijing, de inflatieperiode. Het heelal werd in zeer korte tijd 10^31 keer zo groot. Doordat het heelal zo extreem werd opgeblazen, is de kromming die aanwezig was vrijwel helemaal uitgevlakt tot het bijna vlakke heelal dat we nu hebben. Ook heeft deze inflatie ervoor gezorgd dat het heelal gehomogeniseerd is. Na deze inflatieperiode bleef het heelal uitdijen, maar wel veel minder snel.
Door de uitdijing van het heelal te bestuderen, kunnen we een schatting maken van de leeftijd van het heelal. De eerste die dat heeft gedaan was Edwin Hubble, de ontdekker van de uitdijing van het heelal. Hij bepaalde de snelheden en posities van veel sterrenstelsels en kwam zo op een leeftijd van ongeveer 10 miljard jaar. Recenter onderzoek wijst uit dat de leeftijd van het heelal rond de 14 miljard jaar ligt.
Of de uitdijing van het heelal voor altijd doorgaat, hangt af van de totale massa in het heelal. Alle objecten, dus ook de sterrenstelsels, trekken elkaar aan door de zwaartekracht. Als er genoeg massa in het heelal is, dan zou deze kracht ervoor kunnen zorgen dat de uitdijing stil komt te staan of zelfs omkeert. Dit laatste scenario heet de Big Crunch, het heelal krimpt dan tot het punt dat het weer oneindig dicht is.
Het is moeilijk te bepalen hoeveel massa er in het heelal is, zeker als je bedenkt dat we alleen massa kunnen waarnemen die direct straling uitzendt. Recente onderzoeken tonen aan dat ongeveer 75 procent van alle materie niet zichtbaar is en dat er bovendien waarschijnlijk niet genoeg materie in het heelal aanwezig is om de uitdijing te doen stoppen. Dat betekent dus dat het heelal voor altijd zal blijven uitdijen, en dat de Big Crunch nooit zal plaatsvinden.
